Crêpe-Maroquin

Pain quotidien des putains. Maroc, Marocco, rococo, co, ca, moka, café torrifié. Vive le Maroc!

Soutiens-gorge

m01

Soutiens pour soutenir les soulagements des seins. Il faut se soutenir les uns les autres en se saoulant.

Cé en Cé Building

De eerste collega die Ina ontmoet is Kurt. Hij heeft de gebogen rug van hen die geld trachten te verdienen om hun autobus te betalen of bedrogen te worden door hun vrouw.

Kurt is verliefd. Verliefd op het woord. Kurt koestert het woord gelijk ’n rentenier de borsten van ’n privé-mannequin. Voor hem heeft het woord ’n lijn, ’n kleur, ’n gestalte. Het is geen dood symbool, maar een levende werkelijkheid. Met beweging, adem, reuk, die haar eigen zijn.

Soms is het een jonge vrouw met wiegende heupen, ’n kind aan de borst zijner moeder, ’n krakende kar, ’n man of ’n paard. Kurt heeft een bewogen leven gehad. Hij was beurtelings: hulpboekhouder, dokwerker, goudzoeker, uitgever, lijkbidder, barhouder, koster, publiciteitsagent, student in de medicijnen. ’n Paar romantische winkeljuffrouwen bekijken hem met angstogen. En slaken gilletjes. Ze menen vast dat Kurt minstens een man vermoord heeft. Waarschijnlijk in Alaska. Of anders alvast in Klondyke. Hetgeen hem in hun ogen merkelijk interessanter maakt. Ina meent echter dat hij dit niet deed, daar hij nooit vliegen doodt maar ze gelaten verjaagt.

Literatuur was overal z’n bankroet. Tot Cé en Cé hem opslokte. Gelijk Cé en Cé alles opslokt wat haar als bruikbaar voorkomt. Kurt scheen ’n uitstekend element, daar hij welsprekend is, z’n haar in ’n onberispelijke middel-lijn kamt en goedkoop reukwater gebruikt.

Daarbij staaft hij z’n redenering door met z’n rechterhand te gesticuleren en daarbij z’n pink lichtelijk aristocratisch-hooghartig achterover te buigen. Doch Kurt is niet bruikbaar. Beslist niet. Kurt staat aan de afdeling “Zijde – Damesconfectie”. En maakt nu reeds verzen.

Toto

’n Zeepbel die glinsterend uiteenspat, ’n krekel die kirt, de sirene van ’n transatlantieker, kranen die grijpen boven onze hoofden, het doffe gerommel van ’n tamtam, het eentonige gezang in ’n Indische moskee.

Kurt is gek. Beslist. Doch: geniaal-gek. Ergo: poëet. Onbewust: de eerste absolute poëet.

Kurt leest ’n boek. Plots heeft ’n woord ’n bijzondere klank voor hem: scheermesje, Cadum-zeep, Toto. Het blijft niet langer ’n woord. Het leeft, staat in het midden van ’n regel, krijgt omvang, proportie. Stapt uit de regel en buigt het hoofd (het is lenig en elastisch). Kurt grijpt het vast er werpt het in de vijftonige notenbalk van z’n sentiment waar het van de ene balk trillend op de andere valt. De trillingen die het daardoor veroorzaakt vormen ’n vers. Als hij de laatste triller uitgeperst heeft werpt hij het weder in de regel. Het glijdt van de ene toonkoord in de andere en verwekt nogmaals dezelfde trillingen in omgekeerde orde.

Nemen we Toto. Tot dan toe was Kurt beslist normaal. Met het woord “toto” begint de abnormaliteit. Toto werkt op Kurt als de rode lap op de stier. Kurt werpt zich op Toto. Het beroemde huis Cé en Cé, geroemd, geprezen, ongeëvenaard. Al de grote huizen hebben ’n bijhuis. Alleen het ouderlijk huis heeft er geen. Hoe jammer!

Verlaten voorwerp

Terwijl Ina ‘n hoek van ‘n straat omslaat neemt ze zich voor hedenavond toch liever naar de kino te gaan dan naar de communistische meeting. ‘t Is toch eigenlijk prettiger. En het ruikt er allicht niet naar vieze tabakslucht. En gewoonlijk spuwt de toeschouwer nevens u niet op de grond.

‘n Bejaard heer in smoking met ‘n roze papieren hoedje op het hoofd, het witte overhemd vol rode wijnvlekken en de overjas besproeid met confetti zwijmelt naar huis. Met z’n ebbenhouten wandelstok verslaat hij onzichtbare vijanden. Miljoenen atomen sterven. ‘n Lichtekooi met geplombeerde tanden gaat voorbij.

Ina stapt haastig verder. Boven haar hoofd ruisen de bomen. In de verte, vlak bij ‘n boom, tekent zich iets onduidelijk af. Het is ‘n oude vrouw. Reeds kreeg ze de nekslag van de tijd die haar ruggengraat brak. Ze zit op ‘n bank. Als ‘n voorwerp. Is het ‘n oude vrouw of slechts ‘n verlaten voorwerp vergeten door ‘n achteloos voorbijganger?

Het is iets van beide. Het is ‘n versleten vrouw die niet sterven kan. De oude vrouw is dronken. Misschien is ze ziek. Echter: waarschijnlijk dronken. Oude mensen zijn meermalen dronken. In de greep naar het glas ligt de greep naar de oude droom: het eerste kind, de laatste kus.

De oude vrouw slaapt. Het oude voorwerp rust. Tussen haar dode ogen ligt ‘n leven van vermoeienis. Het schrale haar kleeft ordeloos aan haar schedel die blinkt en rood en geel bepuist is. Achteraan, rechts, hangt ‘n nauw geheelde kwal. Vliegen brommen om het was-gele doodshoofd en de tranende ogen. Haar handen liggen op haar bolle onderlijf. En haar ingevallen borsten zakken op en neer. Als deze van haar dertigjarige dochter “die het leven doet”.

‘n Platte, vuil-bruine luis ontsnapt vanonder het stinkende kleed, kruipt langzaam over het wassen hoofd. Als men ze doodkneep ware het ‘n kleine, bloed-rode vlek. In die stille straat op die éne bank is de slapende oude dronken vrouw belangloos als ‘n gelezen dagblad.

‘n Jonge man gaat voorbij, ‘n dactylo fietst voorbij, denkt aan “vrouwenadel”, en kleurt. Lacht hard, fietst snel, om deze vrouw, om deze oude vrouw die uw moeder is, om deze oude vrouw die dronk omdat ze zich zo gelukkig voelde om deze wereld.

Ina komt voorbij. Ziet: de bank, de oude vrouw, de luis, de lachende man en het snel fietsende meisje. Zonder walging heeft ze de dikke luis tussen haar vingers platgeknepen, zonder walging ‘n versleten zakdoek over de zwetende vrouwenschedel gespreid. De dactylo kleurt. De jonge man kleurt. Ina schrijdt voort in de richting der Exportstraat, voldaan, ‘n ogenblik gelukkig.

Een syndicaat

Ina voelt zich niet meer gloeien van geestdrift zoals vroeger. Ze leest onverschillig zoals ze ‘n aankondiging van Swann-vulpennen, Singer-naaimachines of zelfrijzend meel zou lezen.

BROEDERLIJKHEID! SOLIDARITEIT! GELIJKHEID!

Ze denkt aan de cynische filosofie van Kurt. Kurt die leeft niettegenstaande z’n hart verscheurd wordt elke dag, elk uur, elke stonde door het hunkeren naar het onbereikbare. Kurt die brutaal en honds alles kapot gooit om niet te tonen hoe sentimenteel hij is.

Toen Ina hem destijds tot het communisme wilde overhalen langs de weg van het syndicalisme om, antwoordde Kurt plechtig: ‘n syndicaat o meisje is ‘n mooi ding! Voor arme stumperds met versleten schoenen en vuile halsboordjes. Het syndicaat der winkelbedienden is uitermate mooi o meisje Ina! Doch onderstel dat ik door erfenis, loterij of één of ander wettig middel in het bezit kom van veel geld, en aandeelhouder word van “Cé&Cé”. Dan o meisje verandert het aanschijn der dingen. Dan wordt het syndicaat der winkelbedienden iets gevaarlijk. Iets dat me schaadt. Dat me hindert bij het berekenen mijner procenten en dividenten; en daar ik bij deze hoogst interessante bezigheid niet wil gestoord worden, zal ik trachten dit syndicaat te breken gelijk deze lucifer. Weet o meisje dat alles relatief is. Wat nu goed is, is morgen slecht; wat nu verkeerd is is morgen oprecht. Niets hangt af van het standpunt dat men inneemt maar alles hangt af van de maatschappelijke positie die men bekleedt, van het al of niet bezitten van ‘n verlangd voorwerp, van het al of niet voldaan zijn van één of andere natuurlijke of kunstmatige behoefte.

Nemen we ‘n auto. ‘n Auto is mij nu ‘n euvel. Omdat ik er geen bezit. Omdat: wanneer het regent hij m’n klederen bespat; wanneer de zon schijnt me met stof begiet. Omdat hij me doet uitwijken of me plet tot brij. Omdat z’n getoet me hindert. Veronderstel dat ik ‘n auto bezit. Dan o m’n aanbiddelijke, verandert alles. Dan wordt ‘n auto mooi, nuttig, noodzakelijk. Want dan voel ik de harteklop van de levende motor. Dan zie ik het rillen van z’n stalen ziel. Dan hoor ik het zingen van z’n verhitte longen. Z’n getoet doet me huiveren als ‘n symfonie van Beethoven.

Ze herinnert zich nog wat ze hem antwoordde: Cynisch zwijn. Bah, zo te praten over de schone droom onzer proletarische idealisten die stierven voor hun idee. En het onmiddellijke antwoord van Kurt: Dank U. Niet voor het zwijn! (arm beledigd rozig zwijntje!), maar omdat je me niet voor idealist verslijt. Idealisme is ‘n zondag-liefhebberij voor mensen met veel vrije tijd, weinig geld en generlei ambitie. Jammer voor jullie dat je dit niet begrijpt. Want je zou je vrije tijd zo niet moeten verpraten. Footing is zo gezond.

En daarbij: het is makkelijker voor ‘n ideaal te sterven dan er voor te leven. Het ene vergt slechts ‘n ogenblik, het andere ‘n leven!

Wat mij betreft ik voelde nooit iets voor naseizoense rederijkersliteratuur voor zeer kleine kinderen. Nu collectionneer ik nog alleen foto’s van geguillotineerde misdadigers (verbazend leuke koppen). Hetgeen veel interessanter is en veel bijdraagt tot m’n algemene ontwikkeling.

Natuurlijk heeft Kurt ongelijk. Ina is daar innig van overtuigd. (Is ze er wel zo vast van overtuigd of wil ze slechts geloven zonder denken!).

Breukband

Ina glimlacht bitter wanneer ze denkt aan het sprookje van de ridder en de kuise jonkvrouw naverteld door de trouwe, naieve student.

Ze denkt aan haar gezellinnen: Marianne die zich laat kussen door gelijk wie voor ‘n glas reklaam sherry-porto. Dolly en Fred, gehuwd, die zich elke zondag bedrinken tot ze nedervallen en in het vuil liggen te wentelen. Jan die ganse avonden biljart in z’n hemdsmouwen; Paul die naar kroegen loopt waar gepoederde jonge mannen met rode lippen, gekohlde ogen en afgesneden wenkbrouwen hem met schelle vrouwenstemmen vragen hen te vergezellen; Judith het tengere blonde jodinnetje met het madonna hoofdje, in vergevorderde zwangerschap, die Lode de buik instampte toen ze hem vroeg zich niet in het openbaar te vertonen met z’n gore vriendinnen. Judith die nu ergens in ‘n asiel voor armen ligt te kreperen, terwijl haar man in de gevangenis gans de dag z’n hoofd tussen de stangen van het nauwe venster tracht te wringen als ‘n gevangen roofdier…

Ze denkt aan de student. Aan de vele schone uren. Aan de noodzakelijke scheiding. De eerste dagen scheen haar alles ijl en leeg. Ze leefde als in ‘n droom. Hier ‘n nachtmerrie. En ‘s morgens waren haar lakens natgeweend en deden haar rood-gerande ogen pijn.

Toch waren de sterren niet gevallen, reden de trams, en was het uitzicht der dingen als gewoonlijk. Ze herinnert zich dat toen ze met Sarah sprak over haar leed, deze onverschillig de schouders ophaalde. En met krakende stem antwoordde: Bah! Wat heeft jouw kleine leed, jouw kleine vreugde en jouw kleine beleven belang. Wat is dat alles klein en leeg en onbelangrijk in vergelijking met het lijden, het strijden en het verzuchten van de miljoenen naamloze proletariërs.

Sarah sprak haastig, haastig als ‘n laatste herhaling van ‘n van buiten geleerde les reeds honderd maal herhaald. ‘n Helrode koorts-blos verfde Ina’s bleke wangen rood. Voor het eerst voelde ze dat ze ‘n mens haatte. ‘n Gevoel waarover ze zich wonderlijk genoeg niet schaamde.

“Heden bij het ter perse gaan vernemen we dat prins…” En tussen de ongelijke regels, ruikend naar petroleum en machines verschijnt het grote, bleke hoofd van de kleine student die eenmaal vroeg of hij haar mocht kussen…

Arbeiders aller landen verenigt u. Viert het feest van de arbeid. Tegen de reactie. Tegen de oorlog, tegen de bourgeoisie… Leve Lenin, Marx, het communisme, de derde internationale.

‘n Man met ‘n elastieken breukband gaat voorbij. Je hebt gelijk Mijnheer, Dr. Spylers’ breukbanden met vernieuwbare onderdelen zijn veruit de beste.

Vorige Oudere items Volgende Nieuwere items

%d bloggers liken dit: