Op de goede manier aanpakken

Wij weten nu reeds heel wat van Ina. Doch we gaan nog véél meer vernemen. Omdat we haar op de goede manier aanpakken. Want daar komt het steeds op aan: iemand op de goede manier aan te pakken. In het boek van elk leven komt er een donkere bladzijde voor. De mens slaat die liefst over wanneer men met hem praat. Men kan hem tien jaar kennen, samen met hem het brood breken en de avonden doden en toch niets vermoeden. Slechts ’n morele inzinking kan hem er toe nopen bekentenissen te doen. Indien men ’n mens ontmoet die dit laatste stadium _ de wanhoop _ doorworstelt, is het zeer goed mogelijk dat hij u vanaf het eerste ogenblik alles vertelt. Het ontlast hem. Hij droeg het jaren in zich, hij vertelt het. Het wordt hem alles lichter. Soms behoedt het voor erger, doch niet altijd.

We hebben samen Ina ontmoet. En ze heeft ons alles verteld, omdat we haar op de goede manier aangepakt hebben. En ze in dit laatste stadium verkeerde.

En ze gaat ons nog ’n hele boel vertellen.

Weg met het kapitalisme

De tweehonderdzestig interesseerden haar niet. Alleen de tweehonderdéénenzestigste die haar vader was. Tweeënveertig jaar en geen pensioen. Het lichaam was afgrijselijk verminkt. Het hoofd had men enkele meters verder in ’n struik vol bloeiende seringen gevonden. De seringen waren niet gestorven. ’n Withouten kist, ’n garve veldbloemen en veel tranen.

Pamfletten werden aan de muren der fabriek geplakt. Suggestieve titels: Arbeiders wreekt uw doden. De opengereten buiken onzer vaders, de tranen over de doorgroefde wangen onzer moeders eisen bloed.

Haar moeder had haar ’n rode kokarde in het haar gestoken, vuurrood als haar haat. Bleke gezichten, wrange monden. Met stenen werden de ruiten der fabriek ingeworpen. De politie chargeerde. De kogels floten en boorden gaten in het wakke vlees. Doden. Gewonden. Paarden vertrappelen de wakke lichamen. Hoofden spatten open als rotte vruchten.

Salvo’s. Bloed. Achteruit! Vooruit! Weg met het kapitalisme! Leve het socialisme! Vooruit! Achteruit! Schouder het geweer… geef acht… VUUR!

1 dode, 10, 20, 30 doden.

Nieuwe withouten kisten zonder bloemen (de directie had zich onthouden).

Zal ze naar de kino gaan of als toeschouwer de optocht bijwonen? Het doet haar pijn te weten dat ze reeds zover staat van al deze zaken. Of zo dichtbij. Automatisch meet ze ’n stuk crêpe-georgette. Bijna benijdt ze de wezenloze blik in de ogen der gezette burgervrouw. Glashelder is op dit ogenblik het doel van het leven: WORDEN, ZIJN, PAREN, KINDEREN BAREN, EN DAN GAAN.

Eén, twee, drie, drie meter twintig, tachtig frank de meter, tweehonderdtachtig frank. Aan de kas betalen a.u.b. mevrouw.

Kruitfabriek

De meisjes drentelen haastig heen en weer. Dikke burgervrouwen laten de fijne stoffen tussen hun dikke vingers glijden. Geroezemoes van stemmen. Zijden kousen: prima. Prima. ’n Oude heer bekijkt aandachtig ’n dameshemdje met oude-heer begeerten. ’n Dikke dame koopt. ’n Magere dame dringt zich vooruit en koopt niet.

De vijftien liften zuigen de mensen naar boven. De vijftien liften brengen de bezoekers naar beneden. De piccolo’s worden onbeleefd. Jonge meisjes laten zich fotograferen, acht foto’s van drie frank. Hedenavond zullen vele jonge mannen ’n reklaamfoto aan hun hart drukken.

Ze voelt zich zo zwak, zo heel en al vergroeid met haar midden en gewoonten. Het is bijna ’n lichamelijke zwakheid…

’n Lichtekooi koopt ’n buitenissig dure nachtjapon om de smeulende driften van haar vriend aan te wakkeren. De burgervrouw, neusnijper op de spitse neus en grijzend haar aan de slapen koopt ’n kokosnoot. De gekende vriendin van ’n gekend bankier koopt ’n paar okkazie-kousen.

Ina bemerkt plots dat ze ’n klein wratje op de linkervleugel van de neus heeft. Ze voelt zich nerveus en moet steeds naar de kleine wrat kijken. Het is ’n kleine bruine vlek op het bleke gelaat. Ze denkt aan de oude vrouw. De bankiersvriendin wordt zich bewust van de opmerkzaamheid van Ina op deze luttele fysische afwijking. Ze wrijft zich zenuwachtig met de kleine, goed verzorgde wijsvinger over het overbodig vlees-deeltje. Ina voelt zich merkelijk verlicht.

Er komen klanten, andere klanten. Steeds klanten. Twee meter crêpe-de-chine, twee el zijden lint. Zo is elke dag. Elke dag gelijkt de vorige. Is het ontzettend of is het misschien goed zo? (Het is goed zo, Ina, het is goed zo).

WIJ VERWORPENEN DER AARDE… Is deze dag gelijk al de andere? Of is hij anders misschien. Is er niets in de lucht, in de blik van de voorbijganger, de stap van de dravende paardjes, dat anders is dan gisteren en anders dan morgen?

MAKKERS… Vroeger ontroerde deze dag haar. Het deed haar denken aan de tijd dat ze bij haar ouders woonde in het verre dorp. En op ’n lentedag de eerste knop aan de bloem zag. Het openbaarde zich bij haar als het mysterie van de vruchtbaarheid.

DE INTERNATIONALE… Het is reeds lang voorbij. Het lijkt ’n sentimentele bladzijde uit ’n volksroman: “De Kerselaar Bloeit”. God, die heerlijke tijd wanneer men zich ontroeren kon om ’n groen blaadje, om ’n steen in het rimpelende water, om de blinkende spade die snijdt in de zwarte poldergrond.

KAMERADEN… Destijds deed het lied haar sidderen. Haar wangen gloeiden terwijl er iets in haar keel toewrong. Het deed pijn, toch was het heerlijk. Ze voelde in zich de stem van vele geslachten proletariërs. Haar voorouders, grootouders, ouders. Zij herinnerde zich de tijd dat haar grootvader het lied gedempt zong in de huiskamer terwijl moeder hem angstig bad te zwijgen.

KAMERADEN… Op zekere dag bracht men haar vader naar huis. Op ’n draagbaar. Dood. ’t Ontroerde haar niet wezenlijk. ’t Deed haar alleen denken aan ’n sociale roman die ze eens las (bladzijde 52: … bewusteloos stortte Dorothea neder, hare tanden klapperden, haar ogen rolden, en haar vingers kraakten…). En ’n ogenblik voelde ze zich heldhaftig toen ze zich vergeleek met de hoofdpersoon uit dit meesterwerk, die bij dezelfde gelegenheid in bezwijming viel.

’t Was een banaal geval: Kruitfabriek. Ontploffing door nalatigheid. Tweehonderdéénenzestig doden.

 

 

Korset nummer 43

De student was gegaan. En er waren er andere gekomen. En op hun beurt gegaan (komen, paren, kinderen baren en dan gaan).

Pieter die van het bierhuis naar z’n werk en van z’n werk naar het bierhuis ging. Karel die haar gedurig gore moppen vertelde en daarbij vulgair-vet lachte. En Frans die met de duiven liep, en Egmond die kegelde, en Max die geld van de meisjes leende en regelmatig vergat terug te geven. Tussen de idylle met de student en het overige lag ’n leven.

Ina bediende ’n klant. Op hetzelfde ogenblik schonk in ’n bordeel ’n meisje haar borsten en bijhorigheden voor 29 zilverlingen aan ’n bleke student.

Is er dan niets beter, schoner, hoger? Iets dat waarde geeft aan de dingen. Iets dat ’n doel en ’n betekenis in zichzelf vindt? Soms voelde ze het vaag. Ze durfde er niet over te spreken daar ze wist dat men haar niet zou begrijpen. En ze zichzelf dikwijls niet begreep. Toch zag ze het soms zo glashelder voor zich: het zou… het zou…

’n Korset nummer 43 a.u.b. juffrouw.

Kurt maakt verzen. Kurt brengt schoonheid, gaafheid. En toch is Kurt even gemeen en laag als heel het zootje. Toch bedrinkt hij zich en loopt naar de bordelen. En weent in de warme armen van ’n geschminkte vrouw. En James, de schilder die muziek maakt met z’n kleuren en toch cocaïne snuift en zeker gek zal worden (gelukkige kerel).

Zo zijn ze allen. Ze verwondert zich over niets meer, alleen is ze soms verbaasd niet meer verbaasd te zijn.

Niet filosoferen Ina, om godswil niet filosoferen… Ina voelt zich machteloos, ze zou grote dingen willen verrichten: gasthuisnon worden… of propagandiste van ’n anti-alco-genootschap, of onderwijzeres in ’n gesticht van verlaten kinderen.

Of misschien slechts de wettige vrouw van ’n man met een vast inkomen!

Gouden vlinders

Automatisch maakt Ina haar uitstalling. Ze denkt aan de oude vrouw, aan Hans, Kurt, Nathan, Cé&Cé, Mina… het leven van alle dagen. En voelt zich zéér ongelukkig.

Neem Mina. Mina staat aan de “Afdeling Muziek”. En speelt lange uren kwijnende tango’s en krijgshaftige stapmarsen. Haar witte vingers glijden gedachtenloos over de gele toetsen. Als men de ogen sloot zou men menen ’n automatische piano te horen wenen. Niettemin is Mina ’n kunstenares. Met ’n paar duizend franken, ’n oud edelman en ’n nieuwe jurk ware ze ’n beroemdheid. Nu is ze hoogstens ’n attractie te meer voor Cé&Cé.

Het lied ruist. Er hangt wijding over het banketgebak, de zijden kousen en de frivole muziekalbums die furore maken. Mina meent zich dood, en stelt zich voor dat iemand het dodenlied voor haar witte lijk speelt. Ze ligt op ’n zwart fluwelen kleed, heel broos en doorschijnend. Mina droomt, en speelt uit heel haar kleine hart. Het is zeer mooi en aandoenlijk. Aandoenlijk als het eerste woord van ’n kind. Het publiek vindt het saai en eist luidruchtig “Jack Hilton And His Boys”.

Mina gehoorzaamt als ’n automaat waarin men ’n frank steekt, trekt en ’n stukje chocolade, toffee of pepermunt bekomt, volgens verlangen. Hier hoeft niet eens ’n frank. Men hoort “Always” en “Sonny Boy” gratis. Hetgeen de superioriteit van de nieuwste automaat bewijst – de kleine tuberculose massa-automaat voor grote kinderen.

Ina weet dat er duizenden zijn zoals zij.

In haar jeugd voelde ze gedurig de roep naar het Ongekende, het Grote. Later wilde ze afbreken met sleur en gewoonte, iets anders brengen in haar leven dan Cé&Cé, jazzbands en zinnelijke mannen met amandelogen. Iets nieuw uitbouwen. Haar nieuwe leven maken naar het onbewuste ideaal in haar. Beleven. Het leven niet voorbijgaan maar vastgrijpen, dwingen, uitpersen als ’n citroen en opzuigen tot het laatst…

Ze voelde hoe het geluk zich elke dag meer van haar verwijderde. Ze wou het behouden ten alle prijze. Ze liep het na met uitgespreide armen als ’n kind dat ’n vlinder vangen wou. Vandaar dat het zich meer en meer verwijderde. Gouden vlinders vangt men nooit. En vreemde vogels sterven in ’n kevie. Het geluk breekt bij de aanraking met de werkelijkheid.

Indertijd, de goede tijd toen de simpele student haar verzen voorlas en sprak over z’n plannen, verlangens en strevingen. Toen voelde ze zich steeds opgewonden. Ze vervulde haar dagtaak gedachtenloos. Na haar werk, ’s avonds, ’n paar uren slechts herleefde ze. Het was ’n roes. Ze voelde zich gloeien als hij voorlas uit ’n nieuw boek. Het park, de mensen, de huizen verdwenen. Zelfs hij verdween.

Ze hoorde slechts z’n metalen stem, gelijkmatig en onwezenlijk als iets abstracts. Ze luisterde als in ’n droom. Het waren haar wensen, haar verlangens, haar leegheid, haar leven dat ze beluisterde, de strijd en het leed van de romanhelden. Het was als ’n fonograaf. De fonograaf van haar hart. Alleen was het nauwkeuriger dan ze het zelf zou kunnen uiten. Soms wilde ze roepen, heel hard… ja dàt is het… zo is het!

In die dagen ontdekte Ina zichzelf. Leerde ze ’n Ina kennen die ze nooit vermoed had. Toch kaatste haar beeld in de spiegel juist gelijk vroeger, alleen nu matter. En wanneer de student eindigde bleef ze stil zitten en staarde strak voor zich uit. Hij trok haar zachtjes naar zich toe. Ze huilde geluidloos en had hem kunnen slaan, stampen omdat hij de broze droom brak en alles wederom zo heel gewoon werd. Gewoon als haar leven… als het leven.

’s Nachts lag ze te woelen in haar witte bed. Uren. Uren. Haar hoofd hamerde, haar lichaam brandde. Ze maakte plannen en bouwde luchtkastelen die ’s morgens bij het ontwaken als kaartenhuisjes ineen stortten.

Ina, stomme Ina, in 52 kaarten ligt ons hele leven immers besloten.

Haar ouders werden bevreesd daar ze bleek en mager werd en uren wezenloos in de tuin zat als iemand die uit ’n luchtballon viel vanuit ’n duizelingwekkende hoogte en ’n ogenblik aan de rand van de dood en de eeuwigheid stond.

De proef op de som

lou

Nathan Fuchts is geen jood uit het jaar 5064. Dit is slechts om te beduiden dat hij noch orthodox, noch vroom is. Hij ware wellicht belachelijk indien hij geen amerikaanse bril droeg. Het was Nathan die Ina voor het eerst sprak over Marx, Engels en integraal communisme. Ina heeft ’n grenzeloze bewondering voor de kultuur van Nathan. Niettegenstaande deze laatste Nick Carter leest en gummigom kauwt.

Fuchts en Kurt verfoeien elkaar hartstochtelijk. Ze haten elkaar zo oprecht dat dit gevoel bijna verheven wordt. Voor Fuchts is Kurt ’n buitenissig mens die verzen schrijft. Voor Kurt is Fuchts slechts ’n buitenissige jood die niet eens verzen schrijft.

De reden van deze haat schuilt echter dieper. Of is oppervlakkiger. De reden is Ina. Daar Fuchts Ina bemint. En Kurt Ina bemint. En Ina geen van beide bemint. (Hetgeen ons ’n driehoek conflict bespaart.).

Daar Kurt de continenten doorwandelde, te Honolulu ’n prinses schaakte (was het ’n prinses of ’n keukenmeid?) en in Alaska verliefd werd op ’n Eskimovrouw met vele kinderen is hij aanschouwelijker in het betuigen zijner liefde.

Nathan is mystiek, wazig, beschroomd. Nathan is verliefd op Ina’s krullen, op haar manier van ’n hand te geven en haar voet te plaatsen. Op haar ogen, het kuiltje in haar wangen, het veertje op haar hoed.

Kurt heeft geen oog voor dit alles. Of misschien toch wel doch dan schrijft hij er slechts ’n bijkomstig belang aan toe. Kurt is verliefd op ’n Ina van 55 kg, met ’n zinnelijke jonge mond, witte tanden en blinkende ogen. Kurt hunkert naar haar lichaam: de forse borsten, het ronde lijf, de gespierde kuiten. Indien Nathan Ina kussen dorst zou hij de ogen sluiten, denken op bladzijde zoveel uit ’n zeker boek en bezwijmen. Als Kurt Ina kuste zou hij haar mond vergelijken met deze van de Eskimovrouw en de monden van andere vrouwen van vele rassen.

En dit heeft hij dan ook gedaan: Ina gekust en de proef genomen. Doch toen is Hans verschenen. Hans. De grote Hans. Liefhebber worstelaar en verkoper aan de “Afdeling Tapijten”. Hij is op Kurt toegesprongen en heeft hem woest tegen de grond gesmakt als ’n vod. Kurt vond dit het positief bewijs der superioriteit van de sport op de literatuur. Heeft zich van de grond gescharreld en ’n nieuw vers geschreven.

Sindsdien gaat Ina steeds onder de geleide van de grote Hans huiswaarts. Deze beschouwt dit als ’n recht en voelt zich zeer nobel en heldhaftig. Ook heeft hij aan zichzelf het predikaat “gentleman” toegeschreven. Hetgeen de keus van z’n dassen moet verrechtvaardigen.

Paperlapa!

Intussen echter is Kurt verliefd. Verliefd op het woord en op Ina. Gelijk iedereen bij Cé en Cé op Ina verliefd is. (Ik vergat u nog te zeggen dat Ina mooi is. “Maneschijn teder” volgens Kurt, hetgeen natuurlijk bespottelijk literair is.) Cé en Cé werd beslist verliefd op Ina indien Cé en Cé ’n persoon ware: met huid, hersenbrei en bolhoed. Gelukkig blijkt Cé en Cé slechts ’n fictie te zijn. Waarvan dan ’n zekere mijnheer Sipido de verpersoonlijking is. Doch ook deze heer Sipido is verliefd op Ina (niettegenstaande hij pervers is en ’n voorliefde heeft voor wanstaltige benen en grote voeten). Tot over z’n oren. Die zeer lang zijn. Zodanig dat de heer Sipido schromelijk dol is op Ina. Daar Cé en Cé niet bestaat doch daar niettemin Sipido, personificatie van de commercieel-mythologische fictie “Cé en Cé” verliefd is op Ina, is voor Ina de moeilijkheid slechts verschoven. Hetgeen bewijst dat men de cirkelgang van het noodlot niet ontgaat. Hier ook zal het populaire “arme werkmeisje” haar lot ondergaan.

Ook deze morgen heeft Kurt ’n versje op Ina’s toonbank gelegd.

A Ina

combien j’aime à te dire “dada”!

Esperons qu’un jour ton enfant dira:

PAPERLAPA!

mama

voilà

mon papa

da

da!

Kurt slaat Ina aandachtig gade terwijl ze het briefje leest. Hij sluit daarbij het linkeroog heel dicht zodat z’n ooglid rimpelt en spert het rechteroog heel wijd open. Hij doet denken aan Pickwick en Landru. Is geen van beide en toch van beide iets. Hij is dus normaal.

Wanneer Ina het stukje papier platknijpt tussen haar vingers en daarbij verwijtend in z’n richting kijkt wrijft hij zich krampachtig de handen. Hetgeen bij hem het enig merkbare uiterlijk teken is van heftige ontroering.

Voor het ogenblik uit Kurt’s spaanse passie zich slechts door het geschreven woord. Op vunzig bloc-note papier. Elke morgen legt hij zulk velletje op Ina’s toonbank. Hetgeen Ina zeer verveelt, daar ze over geen papiermand beschikt.

Vlak over haar _ Afdeling Boekhandel _ staat Nathan Fuchts die haar vriendelijk goede morgen wenkt.

Vorige Oudere items

%d bloggers liken dit: